Taakverdeling (motorboek)

Uit EurosWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt besproken hoe de taken bij het manoeuvreren zijn verdeeld. Er word ingegaan op de betrokkenen (2), de leiding bij de manoeuvre (3) en neventaken die het goede verloop van een manoeuvre bepalen (4).

De Betrokkenen

Bij het beschrijven van de manoeuvre gaan we er steeds van uit dat de bemanning uit twee personen bestaat: Een roerganger op het achterdek en een dekknecht op het voordek. De schipper hoeft hierbij natuurlijk noch de roerganger, noch de dekknecht op het voordek te zijn; er moeten tenslotte mensen worden opgeleid. Toch is het in de praktijk beter niet altijd alles met zijn tweeën te doen. De passagiers aan boord kunnen ook goed bij een manoeuvre betrokken worden, zodat er werk uit handen van de bemanning kan worden genomen, wat naast betrokkenheid bij de passagiers ook onachtzaamheid tegen kan gaan.

De volgende handelingen zijn door de passagiers goed te doen:

  • Het sturen van het schip wanneer dit niet te veel precisie vraagt. Het bemanningslid op het achterdek kan zich dan met het gegeven bezighouden terwijl hij het schip stuurt met behulp van commando's aan de roerganger.
  • Het opdraaien van de zwaarden om vermoeidheid en daarmee concentratieverlies van de bemanning op het achterdek tegen te gaan.
  • Het vasthouden en eventueel vastmaken van bandjes of wrijfhouten.
  • Het helpen van de dekknecht op het voordek.

Naast deze voordelen moeten de passagiers natuurlijk altijd goed in de gaten worden gehouden, omdat ze plegen vaak ongevraagde en zelfs gevaarlijke dingen te doen. Daarnaast kunnen ze het zicht vanaf het achterdek belemmeren op onverwachte momenten. Houdt er echter rekening mee dat de passagiers klanten zijn en je ze dus niet kan afploffen als ze iets niet naar je zin doen.

De Leiding

In de meeste gevallen heeft het bemanningslid op het achterdek de leiding. In bepaalde situaties echter, als er vanaf het achterdek moeilijk een overzicht kan worden verkregen, is het beter de dekknecht op het voordek de leiding te geven. Zo kan de dekknecht bij mist of in het donker aanwijzingen aan de roerganger geven en zodoende het schip zelf sturen. Hij kan in sommige gevallen ook de verplaatsing regelen door het gebruik van de voorspring bijvoorbeeld. De schipper kan en mag te allen tijde de leiding overnemen, waar hij zich ook op dat moment bevindt. Hij is tenslotte verantwoordelijk voor alle uitgevoerde handelingen ten behoeve van de manoeuvre. Onthoud daarnaast goed dat de leiding nooit bij de 'beste stuurlui aan wal' mag komen te liggen. Luister alleen naar degene die de leiding heeft aan boord en sta vooral niet toe dat mensen aan de wal ongevraagde handelingen verrichten. Sluiswachters bijvoorbeeld hebben soms de neiging op ongelegen momenten 'even' je voorspring te verleggen, waardoor je manoeuvre volledig in de soep kan lopen.

De Neventaken

Onderlinge communicatie

Het is van groot belang dat de onderlinge communicatie tussen voor- en achterdek zo doeltreffend mogelijk verloopt. Schreeuw daarom zo min mogelijk, omdat dat paniek kan veroorzaken en daarnaast gemakkelijk kan leiden tot een verkeerde interpretatie van de situatie en, nog erger, tot scheve persoonlijke verhoudingen (schreeuwen is een uiting van onmacht, die voortkomt uit onzekerheid, en daarmee het vertrouwen in je kan doen dalen bij je omgeving). Houd er bovendien rekening mee dat op het achterdek de motor geschreeuw van het voordek overstemd (weg doelmatigheid). Hier is het gebruik van gebarentaal dus veel doeltreffender, er moet dan natuurlijk wel regelmatig naar elkaar worden gekeken. Voorbeelden van gebaren voor het gebruik door dekknechten:

  • Aangeven van de afstanden in meters voor de kop, of tot de wal door het opsteken van een aantal vingers (afb.4).
  • Aanwijzingen geven voor richting- en/of snelheidsveranderingen die nodig zijn om de kop goed te sturen (afb.5). Let er op dat je altijd aangeeft waarheen je de kop wilt hebben gestuurd.
Afb.4, Aantal meters tot de wal
Afb.5a, Handaanwijzingen
Afb.5b, Handaanwijzingen

De roerganger kan gelijksoortige gebaren gebruiken:

  • Voor het commando 'vast' kan hij zijn armen kruisen of het leggen van een halve steek nabootsen.
  • Voor het commando 'los' tilt hij zijn ondernam met de handpalm naar boven op tot verticale positie.

Als hij voor mondelinge commando's kiest moet hij zich realiseren dat hij niet hoeft te schreeuwen omdat hij goed verstaanbaar is op het voordek. Bij slecht zicht en in het donker is het gebruik van gebaren vaak niet wenselijk. In dat geval moet ertoe worden overgegaan iemand op het middenweg te plaatsen die alle commando's letterlijk doorgeeft.

De Veiligheid

Waak voor de veiligheid van jezelf en van de anderen; houd de passagiers daarom altijd goed in de gaten. Op onverwachte ogenblikken kunnen ze door gebrek aan kennis en inzicht zeer gevaarlijke dingen doen. Houd je daarom aan de volgende huiskrekels van veiligheid: Zet nooit je voet in een tros. Als deze tros uitloopt kan je gemakkelijk bekneld raken en in het gunstigste geval je enkel breken, in het ergste geval ligt je voet eraf!! Blijf met handen en voeten tussen de wal en het schip vandaan. Afhouden is zinloos en gevaarlijk, gebruik bandjes daarvoor. Houd de passagiers met handen en voeten tussen de wal en het schip vandaan. Wees zelf erg voorzichtig met trossen en lieren en zorg daarbij ervoor dat passagiers er vanaf blijven, tenzij hun hulp uitdrukkelijk is verzocht. Zorg ervoor dat passagiers laag blijven, bij voorkeur zitten, om het zicht niet te belemmeren en kans op vallen te verkleinen. Houd passagiers uit de gangboorden naast de roef en zoveel mogelijk van voer- en achterdek geseinde zoveel mogelijk bewegingsruimte voor jezelf te creëren in je, al dan niet noodzakelijke, handelingen.

Orde en Netheid

Om een manoeuvre goed te laten verlopen zijn ook orde en netheid van groot belang. Daarnaast dienen zij ook de veiligheid. Zaken waar je op moet letten zijn:

  • Zorg dat de ankers in de verhaalklampen liggen. Van het grote anker (aan bakboord) moeten de rem en de kettingstopper vastzitten, het kleine anker (stuurboord dus) moet tijdens het manoeuvreren klaar zijn om te vallen, wat betekent dat de rem en de ketting- stopper beide los moeten zijn. Beide ankers moeten uit het werk staan.
  • Zorg dat de kluiverboom tijdens het manoeuvreren is getopt.
  • Zorg altijd dat de trossen opgeschoten zijn. Twee trossen op het voordek en twee op het roefdak. Leg altijd de lussen bovenop, zodat ze meteen klaar zijn om te pakken.
  • Zorg dat er één bandje op het achterdek ligt, de rest over de paddestoelen op het voordek.
  • Haal de Ebbie kort achter het schip zodanig dat hij het roer niet belemmert en de lijnen niet in de schroef kunnen raken. De wrikriem moet er ook in liggen (vastgebonden), zodat hij altijd in geval van nood gebruiksklaar is.
  • Zorg dat er geen gereedschap rondslentert.
  • Zorg dat de luiken tijdens het manoeuvreren gesloten zijn.

Kennis en Vaardigheden

Voor het goede verloop van een manoeuvre is het van belang dat de bemanning op de hoogte is van de reglementen; in het bijzonder het vaarreglement. Houd er rekening mee dat de Ebenhaëzer een groot schip is, ook volgens de wet. Daarnaast moet de bemanning vaardig genoeg zijn om hun werk naar behoren uit te kunnen voeren. Hiervoor is voldoende kennis van knopen en steken noodzakelijk. Hoe je bijvoorbeeld een bandje vastlegt is in afbeelding 6 geïllustreerd. De meest belangrijke vaardigheid is echter het gebruik van de trossen. Daarom is hier het volgende hoofdstuk aan gewijd.

Afb.6, Een bandje aan de reling


Motorboek

1 Inleiding 2 Benamingen 3 Taakverdeling 4 Trossengebruik 5 Fysische Aspecten 6 Manoeuvreren in het algemeen 7 Manoeuvreren 8 Zeemanschap 9 Begrippenlijst