Manoeuvreren in het algemeen (motorboek)

Uit EurosWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

Voordat de afzonderlijke manoeuvres worden behandeld wordt eerst ingegaan op de algemene zaken die bij elke manoeuvre van toepassing zijn. Ten eerste wordt daarom ingegaan op de voor- en nabespreking van belangrijke manoeuvres (2), vervolgens op de aandachtspunten die belangrijk zijn bij het manoeuvreren (3), daarna op de veranderingen in de omgeving als hulpmiddel voor manoeuvres (4) en tenslotte op het manoeuvreren bij slecht zicht (5).

Voor- en nabespreking van belangrijke manoeuvres

Voordat een belangrijke of moeilijke manoeuvre wordt uitgevoerd, is het raad- en leerzaam de plannen en situatie met de gehele bemanning door te nemen. Er moet worden overlegd wat er, globaal of in detail, gaat gebeuren en wie steeds bepaalt wat er wordt gedaan. Daarbij wordt ook afgesproken hoe de onderlinge communicatie plaats zal hebben. Houd er rekening mee dat de manoeuvre anders uit kan vallen dan van te voren was te overzien en gepland, ook de dekknecht moet zich hiervan bewust zijn.

Als de manoeuvre is volbracht moet er worden geëvalueerd. Deze evaluatie is van belang om het leerproces op gang te houden omdat de kans dat iemand dezelfde fout later zal maken dan wordt verkleind en de manoeuvrehandelingen kunnen worden bijgeschaafd. Hierbij gaat het natuurlijk vooral om het bespreken van de fouten die zijn gemaakt, en hadden kunnen worden, en wat er gedaan had kunnen worden om die te voorkomen (als het geen fatale fouten zijn dan is het voor de schipper verstandig deze niet te komen herstellen voordat ze kunnen worden gemaakt, omdat het leren van fouten veel effectiever is dan het kijken naar hoe het wel moet). Probeer ook nog alternatieven naar voren te brengen bij de evaluatie.

De evaluatie is bij uitstek geschikt om de leerlingschipper op zijn kunnen in te schatten, zodat het invullen van het monsterboekje daarna geen probleem meer mag zijn.

Als leerlingschipper leer je het meeste als je deze evaluaties ook daadwerkelijk doet; dat betekent dat je de schipper er ook om moet vragen, omdat hij het ook niet altijd kan weten of je iets moeilijk vindt en er daarnaast soms zelf niet mee zal komen.

Enkele aandachtspunten

In de vorige hoofdstukken zijn al een aantal gevaren en aandachtspunten naar voren gekomen die tijdens het varen van belang zijn, ze worden nu even herhaald:

  • Gevaarlijke handelingen van passagiers.
  • Staan op en in trossen die worden gebruikt.
  • Gebruik van de lieren.
  • De sleeplijn van de Ebbie in de schroef.
  • Roer vasthouden bij achteruitvaren.
  • Het laten wijken van de zwaarden.
  • Uit je roer lopen bij de kant.
  • Te hard varen langs gemeerde schepen en woonboten.

Daarnaast zijn er nog vele andere punten, waaronder deze algemene;

  • Zorg dat de Ebbie niet tegen andere schepen bonkt of tussen de wal en het achterschip wordt geklemd; Hou de Ebbie in de gaten!
  • Let goed op het omringende verkeer, vooral op de kleinere omdat deze vaak het minste besef hebben van de manoeuvreerbaarheid van de Ebenhaëzer en daardoor de problemen die ze je kunnen bezorgen. Daarnaast zie je ze sneller over het hoofd.
  • Gebruik de zwaarden alleen als je ze nodig hebt, omdat je ze dan nog over houdt voor als ze echt nodig zijn en omdat het eruit halen tijd en kracht kost.
  • Zorg dat je niet teveel lichamelijke inspanning verricht, zoals zwaarden draaien, tijdens het manoeuvreren, omdat je concentratievermogen dan sterk achteruit gaat.
  • Gebruik alleen veel gas als het echt nodig is. Alles gaat dan vaak veel sneller - vaak te snel - waardoor de kans dat je fouten gaat maken, omdat je sneller moet reageren en dan dingen minder grondig kan overzien, groter wordt. Als je dan nog schade vaart zal deze ook veel groter zijn. Vaar zo snel als je zelf zeker aan kunt, laat je niet opjagen tot het varen boven je macht!
  • Anticipeer steeds op gebeurtenissen, bedenk van te voren wat je zou kunnen verwachten als je ergens vaart of manoeuvreert, zodat je mogelijke reacties al hebt overwogen en kunt toepassen als ze nodig zijn. Tevens kan je dan van te voren al zorgen dat je bepaalde gevaren voor het verloop uitsluit door een andere benadering te kiezen.
  • Houd je altijd eerst bezig met de belangrijkste zaken en voer deze ook het eerst uit.
  • Bewaar de rust aan boord! Onrust kan gevaarlijk zijn en tot paniekreacties en ondoordacht handelen leiden. Denk hier niet te licht over, dit is beslist niet denkbeeldig!

Veranderingen in de omgeving

De belangrijkste omgevingsverandering schuilt in het perspectief. Tijdens het manoeuvreren kijk je voortdurend vanuit een andere positie, onder een andere hoek, tegen de wal, een schip, een brug e.d. aan. Het is nu zaak zeer alert te blijven op deze veranderingen, zodat je voortdurend ziet hoe je ten opzichte van je omgeving beweegt. Zo weet je bijvoorbeeld dat je midden voor een brug staat als je van beide kanten van het bruggat evenveel kan zien. Als je het schip nu voor je uit met de kop in het midden van de brug ziet, en jij staat in de lengte-as ervan, weet je dat je er recht voor ligt. De beweging van de kop kan je nu het beste in de gaten houden door naar de bewegingen van de voorbolders ten opzichte van de achtergrond te kijken. Je kunt het meeste diepte zien als je regelmatig heen en weer loopt op het achterdek, waardoor je bovendien de dode hoeken in de omgeving verkleint.

Als je een ander schip nadert kan je zien of je ermee in aanvaring komt door te kijken of hij ten opzichte van de horizon beweegt, of te kijken of hij beweegt als je er naar kijkt langs een vast punt op je eigen schip (voorwaarde is dan wel dat je zelf niet draait).

Om de snelheid van je eigen schip te schatten kijk je niet vooruit, maar opzij naar de wal. Als er geen wal nabij is, kan je het beste even naar het gangboord lopen en naar beneden kijken hoe je door het water beweegt.

Slecht zicht

Bij mist en in het donker wordt, zoals eerder is beschreven, bij voorkeur gemanoeuvreerd met één persoon op het voordek, die de uitkijk houdt, en één persoon op het middendek, die de commando's doorgeeft van voor naar achteren. In het donker kan de persoon op het voordek de schijnwerper gebruiken om tonnen, fuiken en andere obstakels te beschijnen. De schijnwerper moet daarbij langzaam bewogen worden, zodat de beweging op het achterdek te volgen is. Schijn nooit teveel achterlijker dan dwars, omdat je de roerganger dan verblindt. De weerkaatsing in het kluivernet is ook hinderlijk dus moet je ook zoveel mogelijk mijden. Als hij niet echt nodig is kan je hem het beste uitzetten omdat je door het licht je blikveld zeer smal maakt, de gehele omgeving is niet meer te zien terwijl die door bijvoorbeeld de maan zoveel kan zijn verlicht dat je hem goed kunt zien als je aan het donker bent gewend.


Motorboek

1 Inleiding 2 Benamingen 3 Taakverdeling 4 Trossengebruik 5 Fysische Aspecten 6 Manoeuvreren in het algemeen 7 Manoeuvreren 8 Zeemanschap 9 Begrippenlijst